Handverlanger

 

Ik herinner me nog de tijd dat ik mijn dagen indeelde met een horloge. De stand van de wijzers bepaalde wanneer ik naar de bijeenkomsten moest vertrekken en wanneer naar de betogingen. Naar de allerlaatste betoging was ik om veertien uur vertrokken. Een halfuur later verschenen de mannen in uniform. De laatste keer dat ik op mijn horloge had kunnen kijken voor ik buiten westen geslagen werd, was het veertien uur achtenveertig. Hier zijn geen wijzers of horloges. Ik kan mijn dagen indelen met het luikje in mijn deur. Twee keer per dag gaat het open en schuift een hand een plateau naar binnen. Op de eerste staat er een kom pap en een glas water, op de tweede een bord met brood en wat kaas. Bij de eerste plateau denk ik ‘ochtend’, bij de tweede ‘avond’. Een andere manier om het te weten is er niet: hier zijn geen ramen. De eerste dagen nadat de zware grendel mij opsloot, raakte ik de plateaus met geen vinger aan. Vergif, dacht ik. Dezelfde hand haalde de onaangeroerde maaltijden weer op. Na drie kommen pap en vier hompen brood won de honger het van mijn argwaan, ik wachtte ongeduldig tot het luikje openschoof en rukte het schamele eten uit de hand. Van dichtbij kon ik zien dat het een vrouwenhand was. De ranke vingers hadden geen plukjes haar op het onderste kootje en de huid was zacht en glanzend. Ik vroeg me af wie deze vrouw was die haar dagen spendeerde in de beruchte mannengevangenis van Rancagua. Ik ging er tenminste van uit dat ze me daarheen hadden gebracht, ik had bij aankomst niet bepaald een infobrochure meegekregen. Misschien was haar papa ambtenaar en had hij haar aan dit baantje geholpen. Het enige wat ik van haar te zien kreeg, was haar sierlijke hand. Meer had ik voorlopig niet nodig. Dat was zeven kommen pap en acht hompen brood geleden. In de lange uren waarin ik de hand niet zie, bestudeer ik mijn eigen handen. Ze zijn klein. Op mijn rechterringvinger heeft zich doorheen de jaren een bobbel gevormd op de plek waar mijn pen rust. Ooit rustte, toen ik nog mocht schrijven. Op de rug van mijn linkerhand zit een inktvlek onder mijn huid, van toen mijn vrienden van de universiteit me hadden uitgedaagd om mezelf te tatoeëren. Normaal zijn mijn nagels schoon, maar met de stinkende emmer in de hoek en geen zeep tot mijn beschikking, zijn die zwarte randen momenteel het laatste van mijn hygiënische zorgen. Ik probeer de tijd te slim af te zijn. Als ik van drie naar nul aftel en het luikje gaat open op nul, win ik. Als het opengaat op drie, twee of één, wint de tijd. Tijd: veertien. Ik: nul. 

De hand die mijn eten brengt, is prachtig. Ik zit zo dicht mogelijk bij het luikje om alle details in me op te nemen, de blonde donshaartjes die ophouden waar haar pols in hand verandert, de nette nagelriemen die mooi achteruit geduwd zijn, de blauwgroene ader die bloed brengt van haar hart tot in de topjes van haar vingers. ‘Je hebt hele mooie handen,’ zeg ik op een dag wanneer het luikje opengaat. Mijn stem is schor, ik weet niet wanneer ik haar voor het laatst gebruikt heb. De plateau kletst op de grond en snel trekt ze haar hand terug. Ik heb haar doen schrikken. Ze mag vast niet praten met gevangenen, ik moet een andere manier vinden om met haar te praten. Hopelijk kan ze me vergeven dat ik haar in gevaar heb gebracht. De dag dat ik zie dat de nagels rood geverfd zijn, vult mijn maag zich met emotie en krijg ik mijn pap niet binnen. De dag dat ik zie dat er een ring om de ringvinger zit, fladdert mijn hartslag in mijn keel en kan ik mijn brood niet slikken. Ze is creatief in het tonen van haar vergiffenis. 

Ik wandel door een park. De zon schijnt, honden brengen takken terug naar baasjes, kinderen likken ijs. In mijn hand voel ik haar zachte vingers en wanneer ik naar beneden kijk, zie ik dat haar hand stopt aan de pols: waar aders en botten een arm zouden moeten vormen, is er enkel lucht. Ik loop door het park met een hand in mijn hand die misschien zou wegzweven als ik mijn greep verslap en ik druk mijn vingers harder tegen de hare, als een kind dat bang is dat zijn ballon verdwijnt als hij het koordje loslaat. Ik word wakker. Ik weet niet waar ik het meest naar verlang: de mogelijkheid om meer dan twee meter rechtdoor te wandelen, daglicht of die zachte aanraking tussen onze handpalmen. Wat ik wel weet, is dat ik een manier moet zien te vinden om mijn kussensloop te drogen. Die is doorweekt met zweet, tranen en mijn intense wens dat wat ik net zag geen droom maar een voorspelling was. 

In de dagen na de droom wijd ik me aan het ontwikkelen van een code. Mijn vakgebied; ik was altijd degene die de boodschappen codeerde. Nu moeten er echter geen ingewikkelde boodschappen gecommuniceerd worden. Neen, het enige wat ik wil, is aan de hand duidelijk maken dat ik van haar houd, deze keer zonder haar in een lastig parket te brengen. Na enkele dagen sleutelen, heb ik een zin in elkaar geknutseld die ik met tikjes op verschillende plaatsen van haar hand zou overbrengen. Wanneer het luik opengaat voor ‘avond’, zit ik al sinds ‘ochtend’ naast de deur te wachten in dezelfde houding. Ik grijp haar hand vast en begin aan mijn boodschap: ‘Bevrijd me, vrij met me’. Ze geeft me echter geen tijd om zelfs maar de B af te werken, want meteen doorboort een doodsbange gil mijn cel. Ze rukt zich los en vlucht weg, ik hoor haar hakken galmen en glimlach. Wat heeft ze een mooie gil. Zou ze die hakken speciaal voor mij dragen vandaag?

Niet lang na onze eerste aanraking (de volgende ‘ochtend’ was nog niet gebracht), hoor ik hoe de zware grendel opzij geschoven wordt. Ze heeft me begrepen, ik wist het wel. Ze bevrijdt me, zal vrijen met me, we zijn vrij. Maar als de deur opengaat, zie ik twee lange, brede figuren, in het zwart gekleed, maskers, leren handschoenen. Ze sleuren me uit mijn cel en slepen me door de gang, mijn blote voeten schrapen over de ruwe cementen vloer maar ik vind het niet erg, er gebeurt eindelijk iets. Ik denk dat ik even het bewustzijn verloor want als ik mijn ogen weer open, zit ik vastgebonden op een stoel in een ijskoud lokaal. Wat spannend, ik heb al in geen tijden op een stoel gezeten. De twee figuren staan vlak voor me. Ze hebben hun handschoenen uitgetrokken en ik zie hun walgelijke mannenhanden. Harig, gekartelde nagels, korsten op de knokkels. Hun handen, tot vuisten gebald, stellen me vragen. Wat ik daar deed, waarom ik dat tijdschrift bij me had, hoe lang ik al een landverrader ben. Als hun handen, tot vuisten gebald, de antwoorden niet uit me krijgen, pakken ze de metalen staven. Wat waren mijn connecties met het verzet? Had ik nog meer verboden lectuur verborgen? De handen doen de metalen staven hard op mijn rug landen. In plaats van mijn stilte, breken ze mijn ribben. Wie waren mijn handlangers? Handlangers, handlangers, handverlangers? Handverlangens. Ze heeft me begrepen. Dit is haar geheime antwoord. Ik moet gewoon de code zien te kraken. Mijn gelukzalige glimlach doet de metalen staven nog harder neerkomen op mijn gebroken lichaam.

© Merel Van de Casteele



Deja una respuesta

Tu dirección de correo electrónico no será publicada.